de takjes braken aan stucke

en ik viel in het gras,

en met een quam daar mijn zoete lief aan rijden.’

2‘Lief, wilt gij met mijn rijden,

lief, wilt gij met mijn gaan,

ik zalder jou heenen leiden,

daar de geele goudroosjes staan

en daar zal ik jou trouwen voor mijn vrouwe.’

3‘Ik wilder niet met jou rijden,

ik wilder niet met jou gaan,