van nu tot morgen vroeg.

waar heefter mijn liefje zoo lange geweest?

ik heb om harent wille

zoo zeer verslagen geweest.’

2‘Hebt gij om harent wille

zoo zeer verslagen geweest:

gaat maar na huis toe stille

en toont u onbevreesd.

want het rouwt mijn en ’t is mijn leed,

dat u dat mooije meisje