zoud’ ik doen als de ontrouwe?
ik hebber geen liever op aarden als jou,
hei! de fleur van schoon jonkvrouwen!’
6Die ons dit nieuw lied heeft gedicht,
die hevet zoo wel gezongen;
hij heeft ’t al van zijn liefjen gedicht
en spijt alle quaanijderstongen.
Holländisch: Scheltema’s Sammlung, Anfang des 18. Jahrhunderts.
¶ 1, 3. vaar für vaarder, Fahrer—2, 4. goelijk, angenehm—3, 3. stadig, gestadig, beständig—3, 4. te met, mitunter, dann und wann—6, 4. spijt, trotz.