zoud’ ik doen als de ontrouwe?

ik hebber geen liever op aarden als jou,

hei! de fleur van schoon jonkvrouwen!’

6Die ons dit nieuw lied heeft gedicht,

die hevet zoo wel gezongen;

hij heeft ’t al van zijn liefjen gedicht

en spijt alle quaanijderstongen.

Holländisch: Scheltema’s Sammlung, Anfang des 18. Jahrhunderts.

¶ 1, 3. vaar für vaarder, Fahrer—2, 4. goelijk, angenehm—3, 3. stadig, gestadig, beständig—3, 4. te met, mitunter, dann und wann—6, 4. spijt, trotz.

¶ Nr. 131.