en zoo goelijken avonturen?’
3‘Zoete lief, dat mag alzoo niet zijn:
zet mij derd’half jaar uit zinne,
en draagter stadig liefde tot mijn
en kijkt te met zeewaart inne!’
4‘Of ik er al zeewaart inne kijk,
ik en mag u zien of spreken.
als gijder uw buidel vol daalders draagt,
zult gij mij dan ook vergeten?’
5‘Schoon lief, betrout gij mij dat wel toe?