¶ 2, 5. graft, gracht, Wassergraben—6, 5. spijt, sonst in spijt van, trotz, zum Trots von.
¶ Nr. 130.
Der Ostindienfahrer.
1Wie wil hooren een nieuw lied?
hoort toe, ik zal ’t u gaan verklaren
al van een oostindischvaar met zijn lief,
hoe zij beide in zorge waren.
2‘Zoete lief, als gij na Oostindien vaart,
hoe lang zal de reis duren?
mocht ik u om ’t jaartje eens wederzien