hebben zy dat gedaen?’
Ja, zei Jan.
3’s Woensdags en ’s woensdags
dan ging ik om een kruisken, om een kruisken:
wat wilt gy dat ’k een halven dag
ga timmeren of ga buisschen.
‘Doen ze? doen ze? doen ze, Jan?
hebben zy dat gedaen?’
Ja, zei Jan.
4’s Donderdags en ’s donderdags