1Het zou er een boer zijn dochter uit geve,

wat gaf hij het meisje in’t eerste jeer?

een koe en ’t vale hennetje,

dat vloog het meisje toe.

2Het zou er een boer zijn dochter uit geve,

wat gaf hij het meisje in’t tweede jeer?

twee kalveren met een os,

een koe en ’t vale hennetje,

dat vloog het meisje toe.

3Het zou er een boer zijn dochter uit geve,