wat gaf hij het meisje in ’t derde jeer?
drie ros, twee kalveren met een os,
een koe en ’t vale hennetje,
dat vloog het meisje toe.
4Het zou er een boer zijn dochter uit geve,
wat gaf hij het meisje in ’t vierde jeer?
vier zwanen met een zwijn,
drie ros, twee kalveren met een os,
een koe en ’t vale hennetje,
dat vloog het meisje toe.