¶ Nr. 168.
Juchhe, lasst uns trinken!
1Al ben ic van den schamel ghesellen,
ei nochtans so willic vrolic sijn
van tienen, van vieren, so wil ict stellen
en drinken den hupsen coelen wijn.
Hi, laet ons drinken en clinken
en laet ons maken den dobbelen haen!
mijn keelken moet wijnken drinken,
al sou mijn voetken baervoets gaen.