verteren een weinich van onsen goet!
als dat wintjen wait—
wi willen niet scheiden,
wi willens verbeiden,
als dat haentjen crait.
3Och haddic vijfentwintich bedden,
te meie woud icker niet een pluimken van hebben!
als dat wintjen wait—
wi willen niet scheiden,
wi willens verbeiden,