7Nu machtig koning, is ’t bekwaam,

zoo laat mij toe om na ’t geluk te trachten,

u in mijn harte te verwachten!

ei, komt er in, in uwen eigen naam,

ei, zoo mijn vorst, ei, zoo mijn heer!

hoe minlijk doet gij uwes knechts begeer!

hoe kan mij grooter hemelsvreugd ontmoeten?

gij schenkt uw slaaf een hemelszoeten,

ja veel grooter gaaf.

8Zijt welkom vorst Athanatos,