dien zal ik u wel wijzen:
kom, allerzoetste dochter! kom,
gij moet niet verder reizen.
kom dan, o zoete bruid! treed aan,
kom binnen onze wanden,
en zeg, waar komt gij dan van daan,
26‘Ik ben een vorstelijke maagd,
gekweekt in hooge staten;
om hem, daar mijn gemoed naar vraagt,