Een van de jongste was naar mijn zin. :|:
Het allerliefste ruitertje,
Dat in der dat schuitje zat,
Die bood mij eens te drinken,
Het was koele wijn uit een vat,
Het was de beste wijn dien hij bezat.
Ik bragt het glaasje aan mijn mond,
Ik dronk het lustig uit met zijn,
Ik sprak: mijnheer stout ruitertje!
Hier hebt gij een trouwring van mijn,