nu isset al verloren
te slapen onder mijn groene sijd:
graef Floris heeft mijn eer ghenomen.’
13‘Dat hi uw eertje ghenomen heeft,
dat is u, soete lief, al vergheven;
ghister was hi mijn heer, nu ben ic de sijn,
en dat sal hem costen sijn leven.’
14Hi sette een valc al op sijn hant,
of hi spanceren soude riden;
hi dede een spronc al van enen haes,