4‘Oorlof aen mijn selven?
de cnaepjes sijn so loos;
of ghi mi dan verliet, schoon lief,
so waer ic vriendeloos.’
5‘Ken sal u niet verlaten
van nu tot in der doot:
ghi bent een conincs dochterken,
een roosjen also root.’
6‘Ben ic een conincs dochterken
en ghi een graven kint—’