ik vrees noch voor geen man.’

eer hij dat woord ten halven had,

doe kwam er dat booze wijf an.

4Zij nam hem bij de armen

en ’t paardje al bij den toom,

en klom er meê den berg op

die zeventig mijlen was hoog.

5De bergen waren hooge

en de dalen die lagen zoo diep,

daar lagen er twee gezoden,