Antw. LB. 1544. Nr. 59. (Hor. belg. 2, 137. Willems Nr. 108.)
¶ 8, 2. ruiten ende roven, plündern u. rauben—beslaghen gout, Goldplättchen, womit etwas beschlagen wird, an Kleidung u. Pferdegeschirr.
¶ Nr. 24.
Die Gesellen aus Rosenthal.
Stem: Van mijn heer van Valkenstein.
1Wie wil horen een nieu liet?
hoort toe, ic salt u singhen
van drie ghesellen uit Rosendael,
op vrijbuit wast dat si ghinghen.