1Daar reed er een ridder al door het riet

en hij hief op en zong een lied

en een liedje met heldere stemme,

dat het tusschen twee bergen klemde.

2En dat verhoorde een jonkvrouw fijn,

zij lag er op hare slaapkamer allein,

en zy vlegtte haar haartje met zijde:

met den landsknecht woude zij rijden.

3De landsknecht had ze zoo lief en waard,

hij zette ze voor hem op zijn paard