als dat zij hetzelfde magetje was

dat hij plagt te beminnen.

9Hij had er het schoon kind lief en waard,

en hij zette ze voor hem op het paard

en met een zoo ging hij rijden;

hij trok haar lazerus kleederen uit

en hij kleed ze in witte zijde.

10‘Adieu vader en moeder mijn,

adieu zuster en broederlijn,

adieu mijn vriendetjes allen!