ende vriendelijc ontfaen.’
10‘Soudijse helsen ende cussen
ende vriendelijc ontfaen,
so en heeft dese timmerman
niet al te veel misdaen.’
11‘Coomt af, coomt af, goet timmerman!
u is verbeden uw lijf:
dat heeft ghedaen een vrouwe,
eens groten lantsheren wijf.’
12‘Hevet dat ghedaen een vrouwe,