ik draag bij den ruiter een kind zoo klein.’

3‘Draagt gij bij den ruiter zoo kleinen kind,

zoo ziet dat gij daar den vader van vindt.’

4‘Ik zie daar den vader voor mij staan,

en ik derf daar niet een oog op slaan.’

5‘Derft gij daar niet een oog op slaan?

gij dorst daar wel mede te bedde gaan!’

6‘O moeder! het geschiede bij nacht,

het was zoo donker dat niemand zag.’

7De landsknecht achter de deure stond,