9Men dede den ruiter legghen
al op een pinebanc,
de pijnbanc was so cleine,
dat dede den ruiter weine,
dat hi lach onder sheren bedwanc.
10Men dede den ruiter cnielen
al voor dat blanke swaert.
ghesellen, wilt dit onthouwen!
dit comt van schone vrouwen,
laetse varen diese niet en begheert.