’k wou dat ik met mijn liefste,

schier over der heiden,

in een boomgaardje waar!

2‘De boomgaard is gesloten

en daar mag niemand in

dan de fiere nachtegaal,

schier over der heiden,

die vliegt er van boven in.’

3Wij zullen den nachtegaal binden

zijn hoofdje al aan zijn voên,