2Slaapt gij of waakt gij,
mijn lief, mijn toeverlaat?
of legt gij in een droome,
zoo peist dog aan een perzoone,
die hier voor uw venster staat!’
3‘Ik slaaper en ik waaker
maar alzoo vaste niet.
ik hoor wel aan uw treuren,
gij meugt mij niet gebeuren,
ik en ben de liefste niet.’