8‘Zoo mag ik dan wel wandelen,
zoo mag ik dan wel gaan
en dolen op der straaten.
lief, gij woudt mij niet inlaten,
en wat heb ik misdaan?’
9‘Wilt gij dan zoo gaan wandelen
en wilt gij dan zoo gaan?
keert nog eens herwaarts omme,
lief, ic zal u wel bij komen,
blijft nog een weinig staan!’