jouw kijven en is gheen eer.’
4‘Soud ick niet luide roepen?
mijn dunct, ick heb ghelijc:
sy segghen dat gh ’er een kindeken draecht,
een kindeken draecht, ghy benter gheen maecht,
jouw eertje benje quijt.’
5‘Soud ick een kindeken draghen,
moy meisje sonder man!
de coele wint uit den oosten,
de coele wint uit den westen,