3En of het deurtje kraakt,
Adelijn, bruin maagdelijn,
mooi meisje fijn?
‘wij zullender een pont zeep inslaan,
dan zal’t wel zonder kraken opgaan!
zwijgt al stil! ei lieve, laat uw vragen zijn!’
4Hoe kom ik op uw beddeken,
Adelijn, bruin maagdelijn,
mooi meisje fijn?
‘neemt gij de deken en ik het laken,