Ja, zei Jan.

2’s Dingsdags en ’s dingsdags

dan was het vastenavond, vastenavond:

myn wyf is op den toer gegaen,

en ik ging met een andere.

‘Doen ze? doen ze? doen ze, Jan?

hebben zy dat gedaen?’

Ja, zei Jan.

3’s Woensdags en ’s woensdags

dan ging ik om een kruisken, om een kruisken: