Das arme Häslein.

1Ik arrem haesken in ’t wilde woud,

ik worder gejaecht en voortgestout.

voor alle lieden

zoo moet ik vlieden.

ben ik niet een arm onnozel dier?

ter wereld en hebbik geen quartier.

2Ik en eete niet als gras en groen,

hoe kan ik dan minder schade doen?

met groene bladen