acht leêge wagen, zij waren onbeladen,

zeven paarden waren fijn,

zes hoenderen, vijf vogelen met een vink,

vier zwanen met een zwijn,

drie ros, twee kalveren met een os,

een koe en ’t vale hennetje,

dat vloog het meisje toe.

Holländisch: Scheltema’s Sammlung, Anfang des 18. Jahrhunderts. Das Lied geht noch weiter, aber aus dem Bäuerlichen ins Abenteuerliche, es folgen negen steene kerken, tien zwarte nonnen, elf vette papen und tweelf landesknechten, die deden niet dan vechten.

¶ 8, 3. leêg für ledig.