“Ja,” said I, “een verheven canopy, niet waar?
Wij zeilen onder een groene canopy—verbazend—magnifique!”
BENT U EEN DICHTER?
“Hoe bedoelt U dat?” said the old gentleman more and more puzzled, and determined to find out my meaning.
“Wij zitten hier, niet waar?” I began slowly; then pointing to the roof of green over our heads, I explained: “dat alles vormt een prachtige canopy boven ons heen. Zeker wel?”
“Ik geloof het niet”, said the chatty old gentleman. “De tram gelijkt ook niet op een kanapé; of meent U dat?”
“De tram niet,” I exclaimed, “maar de boomen; kijk; het gebladerte, het geboomte en de hooge dak dat ze maken—dat alles zoo schitterend groen, dat is, mijns bedunkens, niets dan een canopy, uitgehangen zoo te spreken, over ons heen, in uitgestrekte schoonheid.”
The old gentleman surely was a little dull. He said, “Ik begrijp niet goed wat u zegt. Waar is de canapé? Of bedoelt U soms een badstoel—op het strand?”
“Nee”, I answered with a deprecating smile; “Ik sprak maar poetisch. Verheven”, I added with a wave of my towel towards the greenery overhead.
“Hé,” said he with friendly interest, “bent U een dichter? Ik had U voor een schilder gehouden,” he explained with a glance at my blazer.