[26.3] R. H. Codrington, D.D., The Melanesians (Oxford, 1891), pp. 215 sq.

[27.1] R. Parkinson, Im Bismarck-Archipel (Leipsic, 1887), p. 144; id., Dreissig Jahre in der Südsee (Stuttgart, 1907), pp. 193 sq.

[27.2] Thomas Williams, Fiji and the Fijians, Second Edition (London, 1860), i. 234.

[27.3] G. A. Wilken, Handleiding voor de vergelijkende Volkenkunde van Nederlandsch Indië (Leyden, 1893), pp. 596-603; G. W. W. C. Baron van Hoëvell, Ambon en meer bepaaldelijk de Oeliasers (Dordrecht, 1875), pp. 148-152.

[27.4] A. R. Wallace, The Malay Archipelago, Sixth Edition (London, 1877), p. 196.

[28.1] J. G. F. Riedel, De sluik- en kroesharige rassen tusschen Selebes en Papua (The Hague, 1886), pp. 61 sq.

[28.2] J. G. F. Riedel, op. cit. pp. 114 sq.

[28.3] Van Schmidt, “Aanteekeningen nopens de zeden, gewoonten en gebruiken, benevens de vooroordeelen en bijgeloovigheden der bevolking van de eilanden Saparoea, Haroekoe, Noessa Laut, en van een gedeelte van de zuidkust van Ceram, in vroegeren en lateren tijd,” Tijdschrift voor Neêrlands Indie, v. Tweede deel (Batavia, 1843), pp. 499-502.

[29.1] J. G. F. Riedel, op. cit. pp. 167 sq.

[31.1] N. Adriani en Alb. C. Kruijt, De Bare’e-sprekende Toradja’s van Midden-Celebes, i. (Batavia, 1912) pp. 399-401.