Zwijgend aan den oever stond
Om de toekomst in te staren;
Toen ik ’t schoone tot mij riep
Dat ik van die toekomst wachtte
En het heden stout verachtte
En mij paradijzen schiep;
Toen, door alle stoornis heen
Die zich opdeed voor mijn schreên,
’t Hart zich koen een uitweg baande,
En zich droomend zalig waande …