’k Heb naar levensheil gestreefd,
’k Heb gevonden en verloren,
En, een kind nog kort te voren,
Jaren in één uur doorleefd.…
* * *
’k Minde een meisje. Heel mijn leven
Scheen mij door die liefde schoon;
’k Zag in haar een eerekroon,
Als een eindloon van mijn streven,
Mij door God ten doel gegeven;—