Zalig door den reinen schat, [[28]]

Die Zijn zorg mij toegewogen,

Die Zijn gunst geschonken had,

Dankte ik met een traan in de oogen;…

Liefde was met godsdienst één,

En ’t gemoed, dat opgetogen,

Dankend opsteeg tot den Hoogen

Dankte en bad voor haar alleen!…

Zorgen baarde mij die liefde,

Onrust kwelde mij het hart,