En ondraaglijk was de smart,

Die mij ’t week gemoed doorgriefde.

’k Heb slechts angst en leed gegaêrd,

Waar ik ’t hoogst genot verwachtte,

En voor ’t heil waarnaar ik trachtte,

Was mij gif en wee bewaard.…

’k Vond genot in ’t lijdend zwijgen!

’k Stond standvastig hopend daar;

Onspoed deed den prijs mij stijgen,…

’k Droeg en leed zoo graag voor haar!