’k Telde ramp noch onspoedsslagen,
Vreugde schiep ik in verdriet,
Alles, alles wilde ik dragen,…
Roofde ’t lot mij haar slechts niet.
* * *
Wat is min die eens begon,
Bij de liefde mèt het leven
’t Kind door God in ’t hart gedreven
Toen het nog niet staam’len kon?.. Toen het aan de moederborst,
Naauw den moederschoot onttogen,