Ginds ons zoets en schoons kan geven;

En ’t genot van d’ eerste jeugd,

Vaak geroemd en hoog geprezen,

Kan wel hier mijn deel niet wezen;

’t Eenzaam harte kent geen vreugd.

Steil en doornig zijn mijn paden,

Onspoed drukt mij diep ter neêr,

En de last mij opgeladen

Knelt me, en doet het hart mij zeer;—

Laat het slechts mijn tranen tuigen, [[29]]