5. En al het Joodsche land ging tot hem uit, en die van Jerûzalem; en werden allen van hem gedoopt in the rivier de Jordaan, belijdende hunne zonden.

6. En Johannes was gekleed met kemelshaar, en met eenen

lederen gordel om zijne lendenen, en at sprinkhannen en wilden honig.

7. En hij predikte, zeggende: na mij komt, die sterker is dan ik, wien ik niet waardig ben, nederbukkende, den riem zijner schoenen te ontbinden.

8. Ik heb ulieden wel gedoopt met water, maar hij zal u doopen met den Heiligen Geest.

9. En het geschiedde in diezelve dagen, dat Jezus kwam van Názareth, gelegen in Galiléa, en werd van Johannes gedoopt in de Jordaan.

10. En terstond, als hij uit het water opklom, zag bij de hemelen opengaan, en den Geest, gelijk eene duive, op hem nederdalen.

11. En er geschiedde eene stem nit de hemelen: gij zijt mijn geliefde Zoon, in denwelken Ik mijn welbehagen heb!

12. En terstond dreef hem de Geest uit in de woestijn.

13. En hij was aldaar in de woestijn vertig dagen, verzocht van den Satan; en was bij de wilde gedierten; en de Engelen dienden hem.