14. En nadat Johannes overgeleverd was, kwam Jezus in Galiléa, predikende het Evangelie van het Koningrijk Gods,
15. En zeggende: de tijd is vervuld, en het Koningrijk Gods nabij gekomen; bekeert u, en gelooft het Evangelie.
16. En wandelende bij de Galilésche zee, zag hij Simon en Andréas, zijnen broeder, werpende het net in de zee (want zij waren visschers);
17 En Jezus zeide tot hen: volgt mij na, en ik zal maken, dat gij visschers der menschen zult worden.
18. En zij, terstond hunne netten verlatende, zijn hem gevolgd.
19. En van daar een weinig voortgegaan zijnde, zag hij Jacobus, den zoon van Zebedéüs, en Johannes, zijnen broeder, en dezelve in het schip hunne netten vermakende.
20. En terstond riep hij hen; en zij, latende hunnen vader Zebedéüs in het schip, met de huurlingen, zijn hem nagevolgd.
21. En zij kwamen binnen Kapernaüm; en terstond op den Sabbatdag in de Synagoge gegaan zijnde, leerde hij.
22. En zij versloegen zich over zijne leer: want hij leerde hen, als magt hebbende, en niet als de Schriftgeleerden.