23. En er was in hunne Synagoge een mensch, met eenen onreinen geest, en hij riep uit,
24. Zeggende: laat af, wat hebben wij met u te doen, gij Jezus Nazaréner! zijt gij gekomen, om ons to verderven? Ik ken u, wie gij zijt, namelijk de Heilige Gods.
25. En Jezus bestrafte hem, zeggende: zwijg stil, en ga nit van hem.
26. En de onreine geest, hem scheurende, en roepende met eene groote stem, ging uit van hem.
27. En zij werden allen verbaasd, zoodat zij onder elkander vraagden, zeggende: wat is dit? wat nieuwe leer is deze, dat hij met magt ook den onreineen geesten gebiedt, en zig hem gehoorzaam zijn!
28. En zijn gerucht ging terstond uit, in het geheel omliggen land van Galiléa.
29. En van stonde aan uit de Synagoge gegaan zijnde, kwamen zij in het huis van Simon en Andréas, met Jacobus en Johannes.
30. En Simons vrouws moeder lag met de koorts; en terstond zeiden zij hem van haar.
31. En hij, tot haar gaande, vattede hare hand, en rigtte ze op; en terstond verliet haar de koorts, en zij diende henlieden.
32. Als het nu avond geworden was, toen de zon onderging, bragten zij tot hem allen, die kwalijk gesteld, en van den duivel bezeten waren.