33. En de geheele stad was bijeenvergaderd omtrent de deur.
34. En hij genas er velen, die door verscheidene ziekten kwalijk gesteld waren; en wierpe vele duivelen uit, en liet de duivelen niet toe te spreken, omdat zij hem kenden.
35. En des morgens vroeg, als het nog diep in den nacht was, opgestaan zijnde, ging hij uit, en ging henen in eene woeste plaats, en bad aldaar.
36. En Simon, en die met hem waren, zijn hem nagevolgd.
37. En zij hem gevonden hebbende, zeiden tot hem: zig zoeken u allen.
38. En hij zeide tot hen: laat ons in de bijliggende vlekken gaan, opdat ik ook daar predike: want daartoe ben ik uitgegaan.
39. En hij predikte in hunne Synagogen, door geheel Galiléa, en wierp de duivelen uit.
40. En tot hem kwam een melaatsche, biddende hem, en vallende
voor hem op de knieën, en tothem zeggende: indien gij wilt, gij kunt mij reinigen.
41. En Jezus, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, strekte de hand uit, en raakte hem aan, en zeide tot hem: ik wil, word gereinigd.