[74] Punten en articulen, und Bericht en antwoord van den Gouverneur Jan van Scherpenhuizen. (Amsterdam, 1697.) It would be very interesting to have a copy of this important trial, in which Samuel Nassy figured so prominently.

[75] Cf. Koenen, l. c., p. 293-294: "De Joden van Surinam bewezen de Kolonie wederom groote diensten, toen zij in den jare 1689 eenen aanval te verduren had van het Fransche Eskader, onder bevel van den vlootvoogd Cassard; in welke verdediging de Heer Van Chatillon, zoon van den vorigen Bewindhebber, zich bijzonder onderscheidde." See also Isaac de Costa's Israel und die Voelker (1855), p. 321; Frankel in his Monatsschrift, vol. XII (1863), p. 362. Révue des Études Juives, Vol. IV (1882), p. 131.

[76] Dr. E. Carmoly, in a brief note entitled: "Patriotismus der Juden in Surinam," published in Dr. Leopold Loew's journal, Ben Chananja (Szegedin, 1861), Vol. IV, No. 20, p. 178, n. 37, writes: "Niemand wird ihnen den Ruhm streitig machen, nicht nur ihre Soldatendienste zu thun, sondern auch bei Zuegen gegen ihre in die Wälder geflohene Sklaven ihre Religionsgesetze den Interesse ihrer Buergerpflichten nachzusetzen; sogar abergläubische Juden werden es ihnen nicht als Suende anzeichnen. Man sehe davon einen Beweis in Verburg's O[st]en W[est] Ind. Geschied[enis], 11 D. 8, Cyd bestek, 35 hoofild. § 45, v. d. J. 1689, und Fr. Holf. Merkurius 40 D. wo erzählt wird, dass, da nach dem Tode des Gouverneur Aersen (sic) der Bevollmächtigte Scherphuizen bei seiner Ankunft in Surinam die Nachricht von der Annäherung der franzoesischen Flotte erhalten habe, sogleich alle Soldaten, nebst den Matrosen und den Bürgern auf das Kastell erboten und diesem Befehl Gehorsam geleistet worden sei, selbst von den Juden, deren viele in Surinam wohnen, ungeachtet es Sabbat war. Auch hat man darueber zwei sehr schoene Briefe an die Gesellschaft: Felix Libertate von dem kuendigen Bürger H. L. Bromet der 20 Jahre lang in Surinam wohnte." These letters may yet be extant in the State library at Amsterdam, where many documents on Surinam are preserved.

[77] See my paper in the P. A. J. H. S., No. 3, p. 121, note 1; also Révue des Études Juives, Vol. IV (1882), p. 131.

[78] See Van Kampen, Geschiedenis der Nederlanders buiten Europa, Dl. II, bl. 416-420; apud Koenen's Geschiedenis, etc., p. 294-295: "De Kolonie was van jaar tot jaar in bloei en welstand toegenomen, sedert de heilzame hervormingen van Aerssens hare talrijke vruchten begonnen af te werpen. Geen wonder, dat die opkomende welvaart de Franschen, die op dat pas met de Republiek in oorlog waren, geweldig in de oogen stak. In Junij des Jaars 1712 waagden zij een vrij hevigen aanval, die echter manmoedig werd afgeslagen. In October verscheen de Fransche vlootvoogd Cassard op nieuw voor de kust, en trachtte de rivier Commawine binnen te zeilen. De ingezetenen, in zonderheid de Joden onder hun Kapitein Isaac Pinto, boden een hardnekkigen wederstand, doch konden niet beletten, dat de vijand het land afliep, de stad Paramaribo bombardeerde, en de volkplanting op een gruwzame wijs brandschattede. Kort daarop werd de vrede van Utrecht gesloten, waardoor de Kolonie van dezen vijand gelukkig voor het vervolg verlost werd." See also Dr. Kayserling, in the Monatsschrift, l. c., p. 208. His remarks being substantially the same, we forbear citing in full.

[79] Cp. Dr. A. Hahn's article on Primitive Jewish Settlements in America, in the American Jews' Annual for 1886-1887, p. 36; also Isaac de Costa, op. cit., p. 321; Révue des Études Juives, Vol. IV (1882), p. 131. We are inclined to think that the families mentioned, distinguished themselves in subsequent engagements in Surinam, during the negro revolts of which we shall speak in the next rubric.

[80] Cp. a review of the Essai Historique sur la Colonie Surinam, etc., quoted often in this essay, in the Monthly Review for 1792; Frankel in his Monatsschrift, vol. XII (1863), p. 362; and Hannah Adams' History of the Jews (Boston, 1810) p. 457. On pp. 455-458, a fair résumé of the History of the Jews in Surinam is given.

[81] Koenen, l. c., p. 295: "Reeds in het jaar 1690 waren de slaven op de plantagie van eenen rijken Israeliet, Machado genaamd, opgestaan, en hadden hun meester vermoord. Van toen af waren de Negers, die kans zagen om zich van hunne heeren te ontslaan, begonnen naar de binnenlanden te vluchten, alwaar zij zich in de bosschen nestelden. De Gouverneur Van Scherpenhuizen vond niet goed, den Joden bij dergelijke gelegenheden eenigen bijstand te verleenen, maar beval hun, om op hunne eigene verdediging bedacht te zijn. Dit was een groote misslag; want, eensdeels leerde hij daardoor de Israelitische bevolking zich onderling tot hare eigene handhaving te verbinden, hetgeen lichtelijk voor de Christenen bij eenige botsing gevaarlijk had kunnen worden; anderdeels liet hij daardoor langzamerhand eene macht opkomen, die, gelijk de ervaring geleerd heeft, niet slechts voor de rust en veiligheid, maar voor het bestaan der volkplanting zelve hoogstgevaarlijk moest worden." Cp. also Kayserling, l. c., p. 208.

[82] Koenen, l. c., pp. 295-296: "De Joden verdedigden zich meer dan eenmaal met goed gevolg.... Evenwel deed men in 1730 eene krachtvolle poging, bij welke zich eene Joodsche compagnie, onder aanvoering van een Onderofficier met veertien blanken en zes-en-dertig Negers, onderscheidde door het bezetten en bewaken van een belangrijken post, na het verwoesten van de gehuchten der Boschnegers." Cp. also Kayserling, l. c., p. 208.

[83] Cp. Kayserling in Monatsschrift, l. c., p. 208.