[84] Koenen, l. c., p. 297, has erroneously Ben Venida del Monte—a name unknown in Spanish-Jewish literature. Dr. Kayserling, l. c., p. 208, note 6, corrects the mistake, and identifies him with the same authoress, who wrote in praise of the Spanish translation of the Psalter by Daniel Israel Lopez Laguna, of Jamaica. Cp. the present writer's papers on Early Jewish Literature in America, in P. A. J. H. S., No. 3, p. 110-112; 140-141; and Jewish Martyrs of the Inquisition in South America, in P. A. J. H. S., No. 4, (1895) where full references are given on this famous American-Shephardic poet.
[85] See Koenen's Geschiedenis, l. c., p. 296-297: "..... Reeds in 1718 had hij, (David Nassy) onder bevel van den Joodschen Kapitein Jacob d'Avilar, aan een welgelukten aanslag van dien aard deel genomen: ten gevolge van welken hij van Onderofficier tot eersten Luitenant, straks tot Kapitein der Joodsche burger-compagnie, benoemd was. Thans was hij niet minder voorspoedig; en ofschoon door Boeyé verlaten, trof hij den vijand in zijne woningen aan; versloeg er velen, en nam een aantal anderen gevangen. Boeyé, die den Israelitischen Hoofdman wegens gebrek aan ondergeschiktheid, had aangeklaagd, werd zelf gestraft, en Nassy oogstte van dezen tocht zoo groot eenen naam in, dat hij door den Spaansch-Joodschen dichter (sic) Ben Venida del Monte (sic) in sierlijke lofdichten werd bezongen en gevierd." See also Kayserling, l. c., p. 208. His notes based on Koenen's are not as full.
[86] Van Kampen, in his Geschiedenis der Nederlanders buiten Europa, Dl. III, bl. 116, says, curiously enough, that they were away about six months instead of six weeks.
[87] Cp. Koenen, l. c., p. 297: "In 1738 stonden de Negers der plantagie van den Joodschen eigenaar Manuel Pereira op, en vermoorden hunnen meester. Hierop zond Isaac Arias, voormalig Officier der Joodsche compagnie, die zijne bezittingen in de nabuurschap had, eenige vrijwilligers van zijne natie, onder aanvoering van David Nassy en Abraham De Brito, tegen de Boschnegers uit. Zes weken lang bleef deze bende op vijandelijken grond, zoodat niemand wist wat van haar geworden was; doch bij hunne terugkomst bleek het, dat zij een allervoorspoedigsten aanval hadden gedaan, terwijl zij de afgehouwene handen van zes gesneuvelde Negers, en zeven-een-veer-tig krijgsgevangenen medevoerden. Iedere Officier ontving daarop van den Raad voor dezen tocht f. 75; iedere burger f. 36; elke gewapende Neger f. 20, en iedere zwarte die met levensmiddelen belast geweest was, f. 5 ter belooning." See also Dr. Kayserling, l. c., pp. 208-209. He does not state what the rewards were.
[88] Cf. Dr. Hahn's article on Primitive Jewish Settlements in America, in The American Jews' Annual for 1886-87, p. 36, who says that "among those who fell on the battlefield was David Nassi, in 1743, at the age of seventy. That was his thirty-first campaign against the French." We are inclined to believe that this is wrong, for earlier historians (see the following note) state that he died of a broken heart—a victim of slander. Furthermore, he did not fight against the French, but the Maroons. See also Isaac de Costa, op. cit., p. 321.
[89] Cf. Koenen, l. c., p. 297-98: "Vijf jaren later deed dezelfde onvermoeide Israeliet (David Nassy), die wel dertig tochten tegen de Boschnegers heeft ondernomen, ofschoon reeds bejaard, nog eenen aanval op het dorp der kreoolsche Negers, die door hunne meerdere beschaving en hun omgang met de Europeers de gevaarlijkste van alle waren. Deze strooptocht had plaats op den grooten Verzoendag der Joden. Zonder dat zij zich door de heiligheid van het feest lieten terughouden, trokken deze, de rivier Suriname langs, het binnenland in, vervolgden den vijand, staken zijne hutten in vlam, roeiden de veldvruchten uit den grond, brachten een aantal Negers om, en voerden veertien krijgsgevangenen met zich. Doch Nassy werd het slachtoffer van een list des vijands. Men maakte hem diets, dat de waterbronnen door de Negers vergiftigd waren; en hij, door gebrek aan de noodige verversching gedwongen, neemt op zich om terug te keeren, zonder den last of de orders ven deen Raad af te wachten. Zijne benijders en tegenstanders wisten hem deswege bij den Raad in een kwaad gerucht te brengen; zijne verdediging werd naauwelijks aangehoord; zijn proces opgemaakt. Dit krenkte den wakkeren man zoo geweldig, dat hij door eene koorts werd aangetast, die hem in den ouderdom van zeventig jaren ten grave sleepte. Na zijnen dood werd zijn geloofsgenoot, Isaac Carvalho, in zijne plaats tot Kapitein der Joodsche burger-compagnie benoemd." Cp. also, Kayserling, l. c., p. 209.
[90] See Koenen, l. c., p. 298-299: "Eenige jaren daarna werd een verdrag van vrede met de meer en meer gevaarlijk wordende westelijke Marrons gesloten. Doch nu vertoonde zich een nieuw gevaar van den kant der oostelijke of Tempati-negers, die in het jaar 1749 eene plantagie plonderden, en de Negerslaven die zich aldaar bevonden, met zich voerden. Deze plantagie behoorde eenen Joodschen eigenaar, en heette Auka; van daar bleef aan deze opstandelingen de naam van Auka-negers. Tegen dien vijand was het, dat in 1757 een tocht werd ondernomen, gedeeltelijk onder den Christenoverste Rijsdorp, gedeeltelijk onder den Joodschen Kapitein Naar, die reeds vroeger zestien malen tegen denzelfden vijand opgetrokken was. De uitslag ook van deze onderneming was allergunstigst. Naar verbrandde een groot Negerdorp, maakte een aantal gevangenen, waaronder zich zekere Corydon, de belhamel der opstandelingen, bevond, en werd voor zijn manmoedig bedrijf door den Raad met een aanzienlijk geschenk begiftigd." See also Dr. Kayserling, l. c., p. 209: "Im Verein mit dem obersten Rijsdorp bekriegte Naar die noch immer Verheerung anrichtenden Neger. Er verbrannte eine ihrer groessten Doerfer, nahm ihren Häuptling gefangen und wurde wegen seiner an den Tag gelegten Tapferkeit ansehnlich belohnt."
[91] See the Essai Historique sur la Colonie de Surinam, etc., (Paramaribo, 1788; Dutch version, Amsterdam, 1791), Vol. I, p. 123. Of this rare and valuable work, which was called forth by the writings of Dohm on the Emancipation of the Jews, only one copy (in the British Museum) is known to be in existence. The writer of these lines is having the volumes copied in view of his History of the Jews in Surinam. See for further references his paper in the P. A. J. H. S., No. 3, pp. 126-30. It is worthy of mention that this is the first work published in Paramaribo.
[92] Cf. Rev. E. M. Myers' Centurial (New York, 1890), p. 117, ad ann. 1750.
[93] Cp. Essai Historique sur la Colonie de Surinam, etc. (Paramaribo, 1788), Vol. I, pp. 98, 99; Koenen, l. c., pp. 299, 300 gives a graphic account: "Zoodanige belooning, de eerzucht ook van den nog jeugdigen Isaac Nassy prikkelende, berokkende dezen moedigen jongeling zijn ondergang. Naijverig op de onderscheiding, door zijnen geloofsgenoot verworven, en wanende, dat de Boschnegers tegen een' geregelden aanval geen moed noch kracht wisten over te stellen, verzamelt hij in haast een twaalftal zijner vrienden, wapent hunne beste slaven en de zijnen, voorziet zich met een onbeduidenden voorraad van krijgsbehoeften en levensmiddelen voor tien of twaalf dagen en vervolgt alzoo den op de vlucht gedreven vijand. Doch hij stutte op een veel grooter aantal dan hij berekend had. Eenen tijd lang hielden de blanken zich nog staande. Nassy leide groote dapperheid aan den dag, een ofschoon hij een geweerschot in het rechterbeen bekomen had, deed hij nog groote moeite om zijne lieden te hereenigen en hun zinkenden moed weder aan te wakkeren. Doch te vergeefs. Hij werd levend door de Negers gevat, en wreedaardig vermoord. Wellicht zouden zij hem nog het leven gespaard hebben, ten einde de voldoening te smaken van zich door een' blanke te laten dienen; maar de wraakzucht, die al te hevig in hun woesten boezem blaakte, liet hun zelfs deze wreede barmhartigheid niet toe. Zij verloren echter bij deze gelegenheid een tweetal hunner opperhoofden, en nog wel twintig gemeenen." See also Kayserling, in Monatsschrift, l. c., pp. 209, 210.