En beval soo God

Synen geest in Syne handen,[329]

Die was sijn Toevlucht, Borgt, en Slot.

Oorlof heeft hy geroepen aldaer,

Aen Broeders en Susters in’t openbaer,

Met woorden soet,

U wil ik den Heer bevelen,

Die voor ons heeft gestort sijn bloed.

Dees twee schaepkens zijn door, voort tempeest,

Wat heeft al [haer] lijden mi geweest?