Kwaad ei, kwaad kuiken. Bad egg, bad chick.

Kwaad gezelschap zei de dief, en hij ging tusschen den beul en eenen monnik naar de galg. ”Bad company,” said the thief, as he went to the gallows between the hangman and a monk.

Kwaad kruid wast wel. Ill weeds grow apace.

Kwade tijding komt tijds genoeg. Ill tidings come soon enough.

Kwalijk begonnen, kwalijk geslaagd. Ill begun, ill done.

L.

Laat geen kind vuile reeden hooren, want kleine potten hebben groote ooren. Of listening children have your fears, for little pitchers have great ears.

Lang vasten is geen brood sparen. Long fasting is no bread sparing.

Langzamerhand volbouwt de vogel zijn nest. By slow degrees the bird builds his nest.

Ledige vaten brommen het meest. Empty vessels make the most sound.