De studie van het Esperanto voortzettende, stuitte ik nu en dan wel op iets, dat ik misschien anders zou ingekleed hebben, doch, aangenomen zelfs, dat mijne veranderingen ook werkelijk verbeteringen waren geweest, waartoe zou het dienen wijzigingen aan te brengen daar, waar het niet volstrekt noodzakelijk is? Zou men, om eene kleinigheid zich in gevaar willen stellen, den vooruitgang tegen te houden?

Ik geloofde in mijnen eenvoud, dat iedereen er zoo over zou denken, doch helaas! al ras moest ik mij zelven bekennen, dat ik geene rekening had gehouden met eene min edele neiging der menschelijke natuur.

Ik heb inderdaad sedert dien verscheidene stelsels van wereldtalen in ’t licht zien geven, doch het waren slechts namaaksels van Esperanto, en deze ontdekking alleen mag beschouwd worden als een schitterend bewijs van de onschatbare waarde van het grootsche werk van Zamenhof.

Vele dier talen bevatten de willekeurigste wijzigingen; men zou waarlijk zeggen, dat de schrijvers ervan geene voldoende taalkennis bezitten, of wel dat het baatzuchtigen zijn, die de hoop koesteren zich beroemd te maken en de bewondering der menschen af te dwingen en zoo hunnen naam onder de nakomelingschap te doen voortleven.

Vergeten we niet, dat het betere vaak de vijand is van het goede. Onder de voorgestelde wijzigingen zijn er die met veel toegevendheid als verbeteringen zouden mogen aangemerkt worden, maar ze zijn op verre na niet belangrijk genoeg, om oneenigheid te veroorzaken en de esperantische beweging tegen te houden.

Ten andere betwisten de hervormers elkander de eer van het aanbrengen van wijzigingen. Zoo zagen wij achtereenvolgens de

volgende stelsels verschijnen: Ido (alias Ilo) Reformido, Antido, Europal, Dilpok, Auli, Romanal, Omnez, Pankel, Perfekt, enz. Ik ben geenszins van plan mij met al die proeven bezig te houden; ik wil alleen eenige woorden spreken over Ido, die in België een klein getal aanhangers heeft gevonden—talrijk zijn ze niet, maar ze maken veel drukte en lawaai... om iedereen een grooten dunk te doen krijgen van hun belang.

In 1907 had ik de groote eer (?!) vier maatschappijen te vertegenwoordigen bij de «Delegatie voor de keus eener wederlandsche hulptaal.» Dat was eene taak van het allergrootste belang, waarvoor men ongetwijfeld buitengewone bekwaamheden moet bezitten, eene taak die een zwaren en langdurigen arbeid eischt, zoo zou men ten minste geneigd zijn te denken... Maar, och arme, dan heeft men het ver mis!

Ik had niets te doen dan mijnen naam op te geven en mijne bijdragen te betalen; mijnen naam om mij te verbinden, blindelings mijne eigene meeningen op te offeren, mijn geld ter ondersteuning van de bedrijvers van—eene onnoembare daad.

Hoe onwaarschijnlijk het moge schijnen, toch hebben vijf personen (waaronder de bewerkers van Ido) het durven bestaan met veel drukte te verklaren, dat de «Delegatie» Ido had aangenomen als wereldtaal. (Tot de Delegatie behoorden de schrijver dezer regelen alsmede vele anderen, die zij met zorg vermeden hebben over dat punt te raadplegen).