Afschuwelijk!... Een der bewerkers van Ido had zorgvuldig zijn plan voor de leiders van het Esperanto verborgen gehouden en terzelfder tijd zooveel ijver aan den dag gelegd voor hunne zaak dat Dr Zamenhof, de schepper van het Esperanto, hem aanstelde, om zijne taal te verdedigen (men kan wel gissen, op welke wijze hij zich van die taak kweet) vóór de vergadering der «Delegatie».

Is dat trouweloosheid, ja of neen?...

Ziedaar de handelingen van die beruchte «Delegatie»! Welk gewicht kan men hechten aan hare beraadslagingen, welke achting is men schuldig aan hen, die ze leidden?

Daar ik vóór alles bezield ben met het vurig verlangen de wereld met eene wederlandsche hulptaal begiftigd te zien, zou ik niet aarzelen mij bij de Idisten aan te sluiten en Esperanto te verlaten, zooals ik vroeger Volapük verlaten heb, indien ik redenen vond even gewichtig als die, welke mij deden besluiten van de laatste taal af te zien. En daarom ook heb ik, niettegenstaande de treurige omstandigheden, welke het ontstaan van Ido omringden, de ontwikkeling dezer taal van nabij gevolgd. Welnu, nog steeds wacht ik te

vergeefs op genoegzaam gegronde redenen, die mij tot een nieuwen ommekeer kunnen doen besluiten.

«Laat ons eenen zin kiezen en wij zullen u doen veroordeelen.» Ziedaar de tactiek, welke in ’t algemeen de voorstanders van Ido volgen, wanneer zij Esperanto willen tegenwerken. Ze stellen heel gebrekkige esperantische zinnen samen, meestal vol fouten,—we hebben er te Antwerpen een staaltje van gezien—en daarop beroepen zij zich, om eenen schijn van waarheid te geven aan hunne dwaze beweringen en verkeerde oordeelvellingen. Daar zij meestal zelve de taal niet kennen, welke zij beknibbelen, zijn ze maar weinig kieskeurig bij het zoeken naar bewijzen, en zoo slagen zij er soms in, personen, die niet voldoende op de hoogte zijn, tot hun inzicht over te halen.

Voor geene trouwelooze middelen terugschrikkende en alleen met het doel het Esperanto te vernederen en in waarde te doen dalen, verkondigen sommige Idisten met groot lawaai, dat er zijn, die de propaganda voor Esperanto steunen, om er profijt uit te trekken, en ze durven er zelfs bijvoegen, dat winstbejag de oorzaak is geweest van eene zekere tweedracht tusschen voorname Esperantisten.

Aangenomen zelfs, dat die beweringen eenige waarheid zouden bevatten, ware dit dan een bewijs, dat hunne taal beter is? Is dat niet zijne toevlucht nemen tot kleingeestige middelen, die eenieders oogen moeten openen voor de uiterste zwakheid van hunne taalkundige bewijzen?

Dit alles belet echter niet, dat er wel Idisten kunnen zijn, die geheel te goeder trouw handelen bij het verspreiden hunner taal, doch hebben zij de bewijsstukken, welke men hun heeft voorgelegd wel grondig onderzocht, en zijn ze niet misleid geworden door het marktgeschreeuw van hen, die ze aanboden? Allen, die verlangen met kennis van zaken een oordeel te kunnen vellen over Esperanto en Ido, raden wij aan de volgende werken te doorbladeren, welke hen volkomen op de hoogte der zaak zullen brengen:

Autour de l’Esperanto, par Camille Aymonier;—édit.: Office Central Espérantiste, 51, rue de Clichy, Paris.—Fr. 0,50.