Esperanto.—Meervoudsvorm.Eenige regel zonder uitzondering: Men vormt het meervoud der naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en voornaamwoorden door den half-klinker j bij het enkelvoud te voegen.

Voorbeelden: Bela urbo (schoone stad); meerv., Belaj urboj, Mia fingro; meerv., miaj fingroj.

Bemerking.—De letter j word altijd[1] uitgesproken als j in Jan en vormt in de meervoudige woorden ééne enkele lettergreep met den voorafgaanden klinker. Deze letter j doet dus niets anders dan den slotklank van het woord verlengen zonder er den klemtoon van te verplaatsen, die in het Esperanto altijd[2] op de voorlaatste lettergreep valt.

De uitgangen oj, aj, uj, vormen, wat men ook moge beweren, eene aangename verbinding met het woord, dat er op volgt, en geven aan de taal eene welluidendheid gelijk aan die, welke in de Grieksche taal zoo hoog geroemd wordt[3].

Ido.—Meervoudsvorm.

1o Voor de naamwoorden wordt de uitgang o vervangen door i homo (mensch); meerv., homi.

Bemerking: De naamwoorden, die op io eindigen, veranderen i in y, alvorens den meervoudsvorm aan te nemen; studio (studie) meerv., studyi.

2o Wanneer het bijvoegelijk

naamwoord den meervoudsvorm aanneemt, wat niet altijd het geval is (van daar eene nieuwe moeilijkheid), voegt men de letter i toe aan het enkelvoud; bona (goed), meerv., bonai.

3o De bezittelijke voornaamwoorden volgen den regel der naamwoorden; la nia (de onze) meerv., la nii.