Méchant,ondeugend.
gourmand,gulzig of snoepachtig.
gentille,lief.

[II].

Se fâche,wordt boos.
est monté,is geklommen.
le sucrier,de suikerpot.
le sucre,de suiker.
maman regarde Paul,mama kijkt naar Paul.
il faut le gronder,u moet hem beknorren.
il faut,letterlijk: het moet.
se lève,staat op.
s’approche du,gaat naar den (lett.: nadert den).
encore une fois,nog eens.
une tape,een tik.

[III].

Voilà ce que c’est,dat komt ervan.
s’est fâché,is boos geworden.
est tombé par terre,is gevallen op den grond.
il s’est cassé le bras,hij heeft zijn arm gebroken.
veux-tu,wil je.
s’il te plaît,alsjeblieft.
aller chez le docteur,naar den dokter gaan (denk er aan: men zegt altijd chez bij personen, en à bij plaatsen, b.v. aller à la maison).
il a bien mal,hij heeft erge pijn.
je vais tout de suite chercher,ik ga dadelijk halen.
Alors, il ouvre la porte,hij opent (doet open) nu de deur.
le corridor,de gang.

[IV].

Couche,legt in bed.
le petit blessé,de kleine gewonde.
est sorti de la chambre,is uit de kamer gegaan.
il est allé chercher,hij is gaan halen.
elle le borde bien,zij stopt hem lekker in.
bien mal,zoo’n pijn.
maintenant,nu.
allons!kom!
il viendra tout à l’heure,hij komt (zal komen) straks.
il te guérira,hij zal je genezen.
sois sage,wees zoet.

[V].

Que je suis contente,wat ben ik blij.
tant il a mal,zoo’n pijn heeft hij.
comment est arrivé cet accident?hoe is dat ongeluk gebeurd?
entier,heel.
ils vivent tous les deux,zij leven allebei.
remettre,zetten; weer aan maken.
ça ira bien,dat zal wel gaan.

[VI].